HONDERD JAAR GELEDEN [blz.]
Wie zich - als niet-historicus - een beeld tracht te vormen van het leven in een provincieplaats als Deventer omstreeks het midden van de vorige eeuw, zal in de eerste plaats kunnen bedenken, dat toen alle technische hulpmiddelen ontbraken, waarvan thans ieder in meerdere of mindere mate gebruik maakt.
Geen treinen, auto's en fietsen.
Geen dagbladen, geen radio.
Geen gas, waterleiding en elektriciteit.
Deze opsomming kan ad libitum worden uitgebreid. Maar zelfs dan zou nog slechts een gebrekkig beeld zijn verkregen. Zomin als de stadsmens het buitenleven leert kennen door woningblokken, asfaltstraten en tramlijnen weg te denken, zomin komt 1858 veel nader door 1958 van allerlei moderne verschijnselen te ontdoen.
Misschien kan een andere poging het beeld wat verduidelijken, al zal ook daarbij de vergelijking met nu niet gemist kunnen worden.
Geheel binnen de vestingwallen, in het stadsdeel dus, dat nu nog als "oude stad" bekend staat woonden zestien duizend mens en dicht opeen. Tot 1852 werden 's avonds de poorten gesloten. Het leven speelde zich bijna geheel binnen de stadsmuren af, ook doordat andere plaatsen slechts te bereiken waren met paard en wagen o.a. met de gele diligence-dienst van Van Gend en Loos, over het water met een van de stoombootdiensten of te voet. Men liep in die dagen afstanden, die de moderne mens nauwelijks fietst. Omstreeks deze tijd wordt ook gewerkt aan een karig opgezet net van straatwegen in de provincie. Voordien moest men het nog geheel met zandwegen stellen.
De arbeid had grotendeels een ambachtelijk karakter. Slechts de ijzergieterij en de tapijtfabriek waren bedrijven van enige omvang. Er werd lang gewerkt, als regel 12 uren per dag, ofschoon ook melding wordt gemaakt van fabriekswerk, dat in de zomer om 4 uur begint en na een schafttijd van 12 tot 1 uur eerst om 8 uur 's avonds eindigt.
Waar de kracht van wind, water of dier niet kon worden gebruikt, was de menselijke spierarbeid de belangrijkste bron van energie. De stoommachine werd nog maar in enkele gevallen toegepast. In 1858 waren er in Deventer 7 stoomwerktuigen met een totaal vermogen van 91 pk.
Kinderarbeid kwam veelvuldig voor. Een fabrikant, die de kinderen naar de avondschool zond, werd deswege in 1841 geprezen. Dat hij het schoolgeld op hun loon kortte, vond niemand ongewoon. In 1879 werkten nog 200 kinderen in loondienst.
[7]
De economische omstandigheden waren slecht. Crisis in 1843, aardappelziekte in 1845 en 1846, nieuwe crisis in 1847 brachten werkloosheid en gebrek. Al was de toestand in Overijssel aanzienlijk min der ongunstig dan in het westen des lands, ook in deze provincie bedroeg het getal bedeelden der huiszittende armen in 1848 nog 78 per 1000 zielen (landelijk 139 per 1000 zielen).
Niet in het minst door de erbarmelijk slechte hygiënische toestanden (de waterput of -pomp bevond zich maar al te dikwijls vlak naast de beerput) was het sterfte-cijfer hoog. In 1858 stierven in Deventer 435 inwoners op een totale bevolking van 16.815, hetgeen neerkomt op 26 per 1000 inwoners. Het volgende jaar steeg het aantal overledenen door het optreden van pokken, tyfus en mazelen tot 648, waaronder 341 kinderen beneden l0 jaar. Het sterfte-cijfer bedroeg in dit jaar 38 per 1000 zielen. Over 1957: 7,5 per 1000 zielen. De gemiddelde levensduur bedroeg in 1850/9: 34 à 36 jaar. In 1953/5: 71 à 74 jaar.
Hiermee is nog maar weinig van deze "goede, oude" tijd gezegd, maar toch voldoende om duidelijk te maken, hoe radicaal de levensomstandigheden in een eeuw tijds zijn veranderd.
Een groot deel van de negentiende eeuw wordt gekenmerkt door gebrek. Gebrek aan goed voedsel, gebrek aan hygiëne, gebrek ook aan initiatief, durf en vakmanschap. Nieuwe vindingen kwamen slechts moeizaam tot ontwikkeling, zo ook de gasvoorziening, die door Engelsen op gang moest worden gebracht, ofschoon een Nederlander een van de eersten was, die koolgas maakte. De Maastrichtenaar Jan Pieter Minckelers stookte in 1783 al "brandbare lucht" door een, met steenkool volgepropte geweerloop te verhitten. Het was echter de Engelse mijningenieur William Murdock, die de praktische bruikbaarheid van koolgas bewees. In het begin van de 19e eeuw was reeds een hele Londense wijk van gasverlichting voorzien.
Koning Willem I probeerde de gasverlichting ook in Nederland ingang te doen vinden en liet weten, dat hij bij zijn bezoek aan Amsterdam in 1816 gaarne een of andere grote lokaliteit met gas verlicht zag. Dat gebeurde ook, maar niet veel meer. Amsterdam leerde het z.g. draagbare gas kennen, dat in gesloten reservoirs met paard en wagen bij de enkele verbruikers werd thuisbezorgd en daar werd overgeheveld in kleine, vaste reservoirs. Er was ook draagbaar (olie-)gas, dat samengeperst in ijzeren vaten werd vervoerd.
Gaslevering door middel van een ondergronds buizennet (het z.g. lopende gas) werd voor het eerst in 1826 te Amsterdam toegepast door een particuliere onderneming, die echter nog gas uit raapolie distribueerde en pas in 1834 op steenkolengas overging. De onderneming leed een kwijnend bestaan totdat zij in handen kwam van de Engelse Imperial Continental Gaz Association. Deze wist de ontwikkeling te stimuleren en kreeg in 1847 opdracht een begin te maken met openbare gasverlichting. Zij wekte evenwel de ergernis van de verbruikers op door haar hoge tarieven en dito winsten. Tot de meest gedupeerden behoorden de suikerfabrikanten C. de Bruijn en Zonen, die in 1847 de ontevredenheid van de verbruikers mobiliseerden en zelf een tweede gasfabriek in Amsterdam oprichtten.
De eerste ontwikkeling van de gasvoorziening is niet bepaald onstuimig geweest. Er waren veel bedenkingen. Een voorbeeld daarvan is het veel geciteerde artikel uit de Kölnische Zeitung van 28 maart 1829, dat ook hier niet achterwege mag blijven:
[8]
"Schadelijkheid der straatverlichting.
Iedere straatverlichting is te laken;
1e op godsdienstige gronden; daar zij is een ingrijpen in de ordonnantiën Gods. Volgens deze is de nacht tot duisternis voorbeschikt, welke slechts op zekere tijden door het maanlicht onderbroken wordt. Daartegen mogen wij ons niet verzetten; wij mogen geen wijziging brengen in het wereldplan; niet trachten, de nacht in dag te veranderen;
2e op juridische gronden; daar de kosten voor deze verlichting door een indirecte belasting moeten worden opgebracht. Waarom zal men voor een instelling betalen, die menigeen onverschillig is, daar zij hem geen voordeel oplevert, ja zelfs in vele gevallen hinderlijk is?
3e op hygiënische gronden; de olie- en gasuitwaseming werkt schadelijk op de gezondheid van zwakke en zenuwachtige personen en legt daardoor de grondslag tot vele ziekten; terwijl zij de mensen het dwalen door de straten des nachts vergemakkelijkt, en hun op die wijze verkoudheden en hoesten bezorgt;
4e op wijsgerig zedelijke gronden; de zedelijkheid gaat door de gasverlichting achteruit. De kunstmatige verlichting doet in de gemoederen de angst voor de duisternis verdwijnen, welke de zwakke van menige zonde terughoudt. Deze verlichting maakt de drinker gerust, zodat hij tot diep in de nacht in kroegen blijft zwelgen; en zij koppelt de verliefde paartjes;
5e op gronden van openbare orde; zij maakt de paarden schuw en de dieven brutaal;
6e op staathuishoudkundige gronden; voor de grondstof, olie of steenkolen gaan jaarlijks aanzienlijke sommen naar het buitenland, waardoor het nationaal bezit vermindert;
[9]
7e op gronden, het volk betreffende; openbare feesten hebben ten doel, het nationaal gevoel te versterken. Hiertoe zijn illuminaties uitstekend geschikt. De indruk hiervan wordt echter verzwakt, wanneer deze door quasi-illuminaties welke alle nachten plaats hebben, wordt afgestompt. Daardoor vermaakt zich de buitenman meer in de lichtglans dan de geblaseerde grootstedeling."
Na Amsterdam verrezen particuliere gasfabrieken in Rotterdam (1826), Haarlem (1834), Hoorn (1837), Gouda (1840), Utrecht (1842), Arnhem (1844), 's-Gravenhage (1845), Leeuwarden (1845) en Kampen (1847). De eerste gemeentelijke gasfabriek ontstond in 1848 te Leiden, maar ook de hiervoor genoemde fabrieken gingen vroeger of later in gemeente-handen over. Blijkbaar was de verzorging van deze openbare taak het beste aan de gemeente toevertrouwd. Dat mag thans niet verwonderen, nu de gemeente aantal van maatschappelijke taken actief deelneemt. Destijds echter was de grondslag voor de groei van de gemeente naar zijn huidige betekenis nog maar juist gelegd. In 1851 was n.l. als uitvloeisel van de Grondwetsherziening van 1848 de Gemeentewet tot stand gekomen, die ingrijpende veranderingen bracht, zoals: de rechtstreekse verkiezing der raadsleden, hun periodieke aftreding (daarvoor viel een zetel slechts open door bedanken, vertrek of overlijden) en - in plaats van de strikt besloten vergaderingen - openbaarheid der beraadslagingen.
Daardoor konden de gemeentezaken meer in de gezichtskring en de belangstelling van de ingezetenen komen. Ook werd het aantal stemgerechtigden groter, al bleef het nog uiterst klein, afhankelijk als het was van zekere kenmerken van welstand.
In 1858 immers, toen Deventer 16.815 inwoners telde, bedroeg het aantal kiezers voor de Tweede Kamer 556 en voor de gemeenteraad 841, d.i. 5%. Nu bij een inwonertal van 53.830 is het aantal kiesgerechtigden 32.273, d.i. 60%.
In deze nieuwe verhoudingen moest ook Deventer beslissen of de schaarse openbare verlichting met olielampen nog langer gehandhaafd kon worden. Bijzonder betrouwbaar was ze niet, immers de van 1732 daterende "Ordonnantie op het bezorgen, aensteken en schoonhouden van statslantaernen binnen Deventer" bepaalde onder meer in de "Instructie voor de Bezorgers en Aenstekers":
"Wanneer ieder in zijn Wijck de Lampen heeft ontstoken/ zal hy de zelve wederom bylangs gaen om te besien/ of er ook eenige qualijk branden of wederom zyn uitgegaen/ welke hy alsdan zal moeten verhelpen of wederom aensteken.
Daerenboven zal ieder in zijn Wijck/ twee uuren nadat de Lampen ontstoken zijn/ de zelve met de ladder by langs gaen om te verhelpen die te flaeuw of te sterk branden/ en wederom op te steeken die mogten uitgegaen zijn."
Ook na 1848 gingen nog verscheidene steden Deventer voor met de oprichting van een gasfabriek, al begonnen de meeste met particuliere exploitatie. Gemeente-gasfabrieken ontstonden na Leiden in Groningen (1854), Delft (1855), Zierikzee (1856), Schiedam (1856) en Breda (1858), terwijl Maastricht in 1858 tot gemeente-exploitatie overging.
Deventer kon nog een van de eerste gemeente-gasfabrieken oprichten en deed dat dan ook.
[10]
[100 JAAR GAS IN DEVENTER, 1958]